Van verschil naar overeenkomst

In de maandelijkse nieuwsbrief van het Montesquieu Instituut, De Hofvijver, schreef Martijn een column over de lokale formaties het afgelopen jaar. Hieronder lees je het integrale artikel.

De volgende bijdrage bestaat uit twee delen: een inleiding van Bert van den Braak, naar aanleiding van Joop van den Bergs boek ‘Geduldig papier. Formeren in stad en land’, gevolgd door een reflectie van Martijn Balster vanuit de gemeentelijke praktijk

Het vormen van kabinetten en van gemeentelijke colleges zijn belangrijke momenten in het bestuur. Er zijn vaste patronen en veelal informele regels en gewoonten. Emeritus-hoogleraar en, onder meer, oud-hoofddirecteur van de VNG, Joop van den Berg, geeft in het onlangs van zijn hand verschenen boek Geduldig papier. Formeren in stad en land een mooi overzicht van deze processen.

Er zijn overeenkomsten, maar zeker gezien het feit dat er gemeenten met verschillende specifieke kenmerken zijn, zijn er evenzeer verschillen. Zowel landelijk als gemeentelijk deden zich bovendien ontwikkelingen voor. Gemeentelijk was bijvoorbeeld het in 2002 geïntroduceerde dualisme van belang. Niet langer komen de wethouders (uitsluitend) uit de raad. Zowel landelijk als gemeentelijk is er sprake van versplintering – vaak nog meer dan landelijk. Een veelheid van fracties maakt het vormen van colleges lastiger. Landelijk zien we al langer dat formaties een moeizaam en soms maanden durend proces zijn.

Landelijk verscheen al in 1951 de informateur, die als wegbereider moest optreden voor de daadwerkelijke formatie. Later kwamen er pre-informateurs en verkenners. Dat laatste was het gevolg van een fundamentele verandering in 2012, toen de Tweede Kamer zelf het voortouw nam bij kabinetsformaties. Verkenners kwamen vanaf 2002 ook in gemeenten. Van den Berg noemt de hoogleraar Rinus van Schendelen, die in dat jaar na de winst van Leefbaar Rotterdam van Fortuyn als eerste een weg moest banen naar een college waarin die nieuwe partij ook een plek moest krijgen (en kreeg).

Zowel landelijk als gemeentelijk spelen vragen als: welke personen zijn het beste geschikt om een rol te spelen en moet dat er één of meer zijn? Is een buitenstaander beter of is (vooral gemeentelijk) iemand die juist ingevoerd is in specifieke onderwerpen niet beter? Verder spelen altijd vragen rond openbaarheid. Is beslotenheid niet beter? Tenslotte moet er een akkoord komen. Wat is de waarde daarvan, in welke mate is er sprake van binding en hoe breed moet de steun (liefst) zijn? En wat is uiteindelijk de betekenis van een akkoord? Gaat het slechts om geduldig papier of is daadwerkelijk de basis voor een daadkrachtig bestuur? 

Wat de aard en de bestendigheid van de akkoorden zal zijn, moet de komende tijd blijken. Dat het niet zelden ingewikkeld is tot goede afspraken te komen, beschrijft Martijn Balster vanuit de gemeentelijke praktijk. 


Van verschil, naar overeenkomst 

De warmste dagen van het jaar markeren in veel gemeenten niet alleen het begin van de zomer, maar ook een bestuurlijk scharniermoment. Jaarrekeningen worden vastgesteld, er wordt teruggekeken. Voorjaarsnota’s schetsen de financiële kaders voor het komende jaar, en – in verkiezingsjaren – verschijnen coalitieakkoorden: gestolde compromissen die richting geven aan lokaal beleid voor de komende vier jaar, en vaak langer.

Na een jaar waarin politieke verschillen doelbewust zijn uitvergroot, verschuift de dynamiek na de verkiezingen onvermijdelijk. De nadruk komt weer te liggen op gezamenlijke ambities voor stad en dorp. Tegelijkertijd laat een verkiezingsjaar sporen na. Polarisatie als strategie heeft een prijs: persoonlijke verhoudingen staan onder druk, en ook op lokaal niveau wordt conflict steeds minder geschuwd. Met name de winnaars en onderhandelende partijen hebben dan ook juist nu een belangrijke rol in het weer normaliseren van verhoudingen.

Welke inhoudelijke keuzes zijn achter (vaak) gesloten deuren gemaakt? Wat betekenen die keuzes voor de beleidspraktijk van de komende jaren? Ik sta stil bij drie ‘schuurpunten’ die op veel tafels het gesprek bepaalden. 

Asiel en opvang: tussen verplichting en politieke aarzeling 

Weinig thema’s domineerden de lokale verkiezingscampagnes zo sterk als de Spreidingswet en de huisvesting van statushouders. De electorale kracht van lokale partijen, gecombineerd met groei op de rechterflank, vertaalt zich in een zichtbare terughoudendheid ten aanzien van rijksbeleid. In sommige gevallen uitmondend in expliciete afwijzing.

Die politieke aarzeling staat echter op gespannen voet met een steeds dwingender juridisch kader. Gemeenten hebben niet alleen een taakstelling voor statushouders, maar worden met de Spreidingswet ook geacht een ‘fair share’ te leveren in de opvang van asielzoekers. De beleidsruimte is daarmee beperkter dan menig lokaal politiek verkiezingsdebat suggereerde. 

De spanning wordt verder vergroot door het grote tekort aan betaalbare woningen. Woningnood fungeert vaak als argument tegen opvang en huisvesting. Maar juist dat argument impliceert een andere beleidsverantwoordelijkheid: een versnelling van de bouw van betaalbare woningen, en het benutten van instrumenten zoals woningdelen en splitsen.

Bovendien zal, onder invloed van de Wet bevordering regie volkshuisvesting, een groter deel van de woningvoorraad worden toegewezen aan zogenoemde aandachtsgroepen, waaronder mensen uit de maatschappelijke opvang, beschermd wonen of detentie. De vraag is dan niet óf gemeenten moeten handelen, maar hoe consistent hun beleid is: wie woningnood als bezwaar opvoert, kan moeilijk om een ambitieuzer, betaalbaarder woningbouw heen. Een lakmoesproef in veel gemeenten. 

Gemeentefinanciën: ambities onder druk 

De coalitievorming vond/vindt opnieuw plaats tegen een somber financieel decor. Structurele tekorten in de jeugdzorg, voorgenomen bezuinigingen op huishoudelijke hulp en onzekerheid over rijkscompensatie van gestegen kosten, beperken de handelingsruimte van gemeenten aanzienlijk.

Tegelijkertijd scherpt het minderheidskabinet de begrotingsdiscipline verder aan, met strengere normen dan in veel andere Europese landen. De implicatie is duidelijk: de financiële ruimte voor gemeenten blijft beperkt, terwijl de opgaven – van woningbouw tot energietransitie en sociaal domein – juist toenemen. 

Gemeenten staan wederom voor een klassiek dilemma. Zonder aanvullende rijksmiddelen resteren bezuinigingen op voorzieningen, sociaal domein, de eigen slagkracht; of het verhogen van lokale lasten. Kostendekkende tarieven voor afval en parkeren, en stijgende onroerendezaakbelasting liggen voor de hand. In de praktijk zal een combinatie van deze strategieën zichtbaar worden. De ruimte voor nieuw beleid is daarmee beperkt, ook voor het inlossen van (te) grote beloften in de verkiezingscampagnes. 

Politieke versnippering en de krimpende horizon

De opkomst van lokale partijen, de groei van partijen op de flanken (met name ter rechterzijde) en de toenemende versnippering in gemeenteraden hebben een duidelijke bestuurlijke consequentie. De nadruk verschuift naar direct zichtbare, lokale kwesties en individuele belangenbehartiging. Dat draagt een grote belofte in zich voor meer nabijheid en meer vertrouwen.

De ontwikkeling gaat echter ook vaak gepaard met een groeiende neiging om externe factoren als oorzaak aan te wijzen voor falend gemeente- of overheidsbeleid in het verleden: ‘Den Haag’, ‘de politieke elite’, of het zondebokken op ‘klimaatdrammers’, of ‘nieuwkomers’. En mogelijk: een beweging waarbij gemeenten zich meer terugtrekken achter de dijken, gefocust op zichtbaar, korte termijnresultaten voor de eigen bewoners. 

Hier clashen de traditionele partijen (met landelijke worteling) geregeld met de flanken en lokale partijen. Een risicovolle dynamiek, die niet zelden in polarisatie ontaardt. Met als gevolg: afnemende aandacht voor taaie langetermijnvraagstukken en voor taaie thema’s die de gemeentegrens overstijgen. Woningnood, noodzakelijke energietransitie, hervorming van de jeugdzorg, het in goede banen leiden van migratie; al deze vraagstukken vereisen juist samenwerking en interbestuurlijke daadkracht. 

Boven het maaiveld

In een context van tanend politiek vertrouwen rust op gemeenten als ‘eerste overheid’ een groeiende verantwoordelijkheid om nabij en responsief te zijn. Tegelijkertijd kunnen de grote maatschappelijke opgaven van deze tijd niet binnen de grenzen van één gemeente worden opgelost. Sterker nog: is het onvermogen om de basis op orde te houden precies de reden voor het onbehagen onder veel burgers, zoals Catherine de Vries in haar boek ‘Symfonie van onvrede’ zo krachtig betoogt.

Dat legt een dubbele opgave bloot. Enerzijds moeten gemeenten de verbinding met hun inwoners versterken en lokaal ‘leveren’. Anderzijds moeten zij actiever de samenwerking zoeken ook met regio, provincie en Rijk en oog hebben voor de taaie lange termijn. Voor die hogere overheden geldt hetzelfde: stijgende verwachtingen van burgers vragen om zichtbare prestaties en effectieve samenwerking, na een periode van bestuurlijke stilstand.

De huidige politiek-bestuurlijke temperatuur biedt daarmee niet alleen beperkingen, maar ook een kans. De symfonie van onvrede vraagt om een orkest van daadkracht. Een orkest dat in staat is uit meerdere registers te tappen. Dat verlangt enorm veel van nieuw aantredende bestuurders, zowel in het verbinden als in de noodzakelijke daadkracht.

Het kan wél. Zo echoot een campagne van net voor de gemeenteraadsverkiezingen nog steeds. Volgend jaar kiest Nederland alweer de provinciale besturen en getrapt de nieuwe Eerste Kamer. Het zal hoe dan ook een belangrijke graadmeter zijn voor nu getoonde leiderschap en samenwerkingsgeneigdheid nu. Zowel in Den Haag, als lokaal.  


Klein, maar fijn.

“We wonen te groot!”

“Dat maak ik zelf wel uit!” 

En toch moet de gemiddelde woonoppervlakte per Nederlander ons aan het denken zetten. Nu de woningnood zo groot is, veel jongeren überhaupt geen plek voor zichzelf hebben. Veel ouderen best kleiner willen, maar dat simpelweg niet kunnen. Dat zou toch anders moeten kunnen? 

Onderstaand staatje van de NOS zegt veel: de behoefte aan kleine woningen is zeer groot, in het woningaanbod zijn (grote en dure) gezinswoningen echter dominant. Een enorme mismatch. De gemiddelde woonoppervlakte was reden voor Tess Broekmans, hoogleraar urban systems, de stelling te betrekken: we hoeven geen gezinswoningen meer te bouwen. Die staan er al [1]. De Denktank Toekomst van de Woningmarkt [2] kwam met eenzelfde oproep en met concrete voorstellen om woningdelen makkelijker te maken en het doorstromen naar kleinere woningen te bespoedigen.

NOS

De meeste mensen wonen goed. Maar we zitten klem. Jongeren en ouderen kunnen geen kant meer op. Zolang de koek niet groter wordt, neemt onderlinge concurrentie toe. Afgunst – zich steeds vaker uitend in zondebokken – zonder beleid om het aantal betaalbare woningen werkelijk te doen toenemen, leidt tot steeds precairder woonsituaties en nog meer haat en nijd. Dit terwijl er met een bouwambitie die veel beter bij portemonnee en huishoudgrootte past EN inzet op het beter verdelen van onze woningvoorraad, er een wereld te winnen valt. 

Klein maar fijn

Meer kansen voor starters en senioren? Dat vraagt om een aantal radicale keuzes:

  • Bouw betaalbare appartementen, geen (dure) gezinswoningen: voor de jeugd die zelfstandig in het eigen dorp of in de eigen stad willen kunnen wonen. Voor senioren die kleiner willen wonen, maar dat nu niet kunnen in de vertrouwde omgeving. En voor wie kleiner wonen nu vaak duurder wonen betekent. 
  • Verhoog de betaalbaarheidsnormen bij nieuwbouw. Er komen nog altijd simpelweg te veel dure en te weinig betaalbare woningen bij. Het aandeel sociale huur en gereguleerde middenhuurwoningen moet fors gaan toenemen, niet verder afnemen. Dure gezinswoningen staan er al en worden alleen maar duurder; sociale huur en middenhuur blijft ook in de toekomst betaalbaar (die huren zijn gereguleerd).
  • Er is geld nodig. Werk het grote financiële tekort bij woningcorporaties weg om te investeren in wat nodig is (VPB/ ATAD) en vergroot de investeringsmogelijkheden van overheden (rijk, provincies en gemeenten). Met een paar honderd miljoen per jaar extra, kunnen corporaties miljarden extra investeren in sociale en middenhuur.
  • Voer actief grondbeleid om locaties vrij te spelen en als overheid eisen te stellen aan de betaalbaarheid van de woningen; gebruik planbaten (opbrengsten door bestemmingswijzigingen) voor betaalbare woningbouw. [3]
  • Van een not in my backyard (NIMBY), naar Yes in my backyard: ontzorgen van buurten, wijken, gemeenten die willen bijdragen aan kleinere, betaalbare appartementen die perspectief bieden voor jong en oud.
  • Breek met de belemmeringen voor woningdelen en beloon doorstroming. Maak splitsen, hospitaverhuur, friendswonen gemakkelijker, zorg voor financiële prikkels om van groot naar klein te verhuizen. Denk aan een doorstroompremie.

Naar behoefte (betaalbaar en kleiner) bouwen, meer doorstroming en meer delen, kunnen ontzettend helpen bij het oplossen van de woningnood. Het voorkomt ook dat groepen tegenover elkaar komen te staan. Dat is nergens voor nodig. Waar een wil is, is voor iedereen een plek onder de zon.

1] https://www.tudelft.nl/stories/articles/de-woningopgave

2] https://www.ftm.nl/artikelen/de-machinerie-van-de-volkshuisvesting

3]


Meer betaalbare woningen? Dan moeten de plannen beter.

Een reflectie op het coalitieakkoord van D66, CDA en VVD.

Veel aandacht gaat in het coalitieakkoord van D66, CDA en VVD uit naar woningbouw. “Bouwen aan een beter Nederland” is zelfs de ondertitel. Maar gaat het leiden tot meer betaalbare woningen? Daar lijkt het niet op.

De dertig nieuwe woningbouwlocaties, steviger ruimtelijke ordening en het versnellen van procedures, gaat helpen. Maar het pakket aan maatregelen zal de betaalbare woningvoorraad niet vergroten. Er is veel meer nodig.

Wat niet helpt, het tekort aan betaalbare woningen te verminderen:

  • beperken van de opkoopbescherming en versoepelen van de Wet betaalbare huur, zal de huren (vrije sector) weer fors laten oplopen
  • subsidies inzetten voor het realiseren van koopwoningen in plaats van voor sociale huur en middenhuur, leidt tot duurdere nieuwbouw
  • de doelstelling om (gereguleerde) middenhuur te bouwen lijkt te worden afgezwakt, geen goed nieuws voor middeninkomens
  • de hypotheelrenteaftrek in stand houden ontneemt een mogelijkheid om in plaats van in de meest vermogenden (en duurste woningen), juist meer geld te steken in betaalbare woningbouw.
  • extra investeringen in woningbouw komen er de eerste jaren niet, pas vanaf 2029 komen er extra middelen vrij. Dat is daarmee voor de woningen van ver na 2030.
  • het versoepelen van verkoopmogelijkheden voor sociale huur, zal de sociale voorraad verder doen afnemen. Grote kans dat het saldo van nieuwbouw, sloop en verkoop dan negatief blijft. Terwijl alleen met netto groei van het aantal sociale huurwoningen de wachttijden verminderd worden.
  • er komt extra geld voor woningcorporaties, maar het schrappen van de winstebelasting zou veel meer kunnen opleveren. Nodig om het grote tekort aan sociale huur in te lopen.

Wat wel bijdraagt:

  • inzet op gedeelde woonvormen, splitsen en woningdelen. Daar zijn de meeste woningen mee vrij te spelen: voor starters, ouderen en aandachtsgroepen
  • meer actief grondbeleid, daarmee is ook de betaalbaarheid af te dwingen
  • als onderwijsinstellingen en werkgevers daadwerkelijk gaan bijdragen aan huizen voor internationale studenten en arbeidsmigranten, helpt dat de woningnood niet verder te laten oplopen.
  • sneller komen tot fabriekswoningen en flexoplossingen (lukte de afgelopen jaren maar beperkt)

Wat wel?

De uitgestoken hand om samen te werken met oppositiepartijen en maatschappelijk middenveld, geeft ruimte voor aanpassing. Aedes en Woonbond zijn kritisch op de woonplannen, dat is begrijpelijk. Er zijn steviger normen voor betaalbaarheid nodig zodat er wel meer middenhuur en sociale huur komt dan nu het geval. Dan moeten maatregelen om de huurprijzen te reguleren en tegen het opkopen van woningen (om duur door te verhuren) niet worden versoepeld. Dan is simpelweg meer financiële armslag nodig – subsidies voor betaalbare woningbouw en ter versterking van de financiele positie van woningcorporaties – om die nieuwe betaalbare woningen te realiseren.

Als we willen dat het grote tekort aan betaalbare huizen wordt verminderd, moet het beter dan de afgelopen jaren. Zowel voor regulier woningzoekenden (starters, ouderen), als om het groeiend aandeel aandachtsgroepen (van arbeidsmigranten tot statushouders, van dak- en thuislozen tot mensen die met begeleiding wonen) een plek te kunnen bieden.

Aan de slag dus: met aangescherpte plannen en hogere ambities.


Afscheid Martijn van Haags stadsbestuur

Eind maart trad Martijn af als wethouder. Op 27 mei jl. nam hij afscheid en kreeg hij uit handen van burgemeester Jan van Zanen de gouden Vroedschapspenning uitgereikt. Van Zanen en collega Robert van Asten spraken mooie woorden over de afgelopen 11 jaar: 5,5 jaar als fractievoorzitter en aansluitend als wethouder volkshuisvesting , welzijn, wijken en Den Haag Zuidwest. Je leest de speeches hier onder.

Den Haag, 27 mei 2025. Afscheidsreceptie Martijn Balster in Amare.

Haagse Leegstandsaanpak

Deze week presenteerde Martijn een nieuwe leegstandsaanpak. Elke leegstaande woning is er een te veel, is het devies. De maatregelen hebben onder mee betrekking op het invoeren van een Leegstandsverordening naar Utrechts/ Amsterdamsmodel, het beter inzichtelijk maken van leegstand en het steviger aanpakken van partijen die woningen stelselmatig leeg laten staan. Martijn sprak erover met het Algemeen Dagblad. 👇🏼


Minder uitbuitingseconomie

We zullen de verslaving aan goedkope arbeid moeten verminderen. Minder uitbuitingseconomie dus, (waarvan lusten voor enkeling en lasten voor samenleving zijn) en een verplichting op goede huisvesting van migranten vóórdat bedrijven vestigen of uitbreiden. Martijn sprak er over met Binnenlands Bestuur👇

https://www.binnenlandsbestuur.nl/ruimte-en-milieu/aanpak-arbeidsmigratie-verdeelt-gemeenten-zuid-holland


Martijn lanceert Haagse Woonvisie 2040 – Stad in Balans

Woensdag lanceerde Martijn de Haagse Woonvisie 2040, met als inzet: de stad in balans. Want Den Haag kent een groot tekort aan betaalbare huizen voor midden- en lage inkomens, de kwaliteit van onze woningen is te vaak ondermaats. Er is dus werk aan de winkel om huizen op te knappen die slecht onderhouden of nog niet verduurzaamd zijn; en om iedereen een plek te kunnen bieden.

De ambities zijn hoog. Een aantal van de plannen om de woningnood aan te pakken en wijken leefbaarder te krijgen:
✅ 4000 huizen per jaar bouwen, waarvan 30 procent sociaal, 25 procent middenhuur en 25 procent betaalbare koop
✅ 50 procent sociale huur in dure wijken, om de tweedeling tegen te gaan
✅ het beter benutten van bestaande woningen en huizen toevoegen waar het kan: via splitsen, optoppen, kamerbewoning en verdichten in wijken waar de leefbaarheid dit toestaat.
✅ programma stadsrenovatie voor wijken met veel slechte particuliere woningvoorraad. Invoering van de Haagse basiskwaliteit: elke woning 2040 goed onderhouden, gezond en veilig.
✅ handhaving op misstanden, slecht verhuurderschap en overbewoning, stevig optreden tegen te hoge huren (met de Wet betaalbare huur)
✅ de woningzoekende krijgt een grotere stem in de ruimtelijke besluiten die we nemen.

Hier lees je de Woonvisie. Woon je in Den Haag? Laat dan vooral ook horen wat je ervan vindt! 👇🏻



De Woonvisie in de media:

Meer woningen bijbouwen en ‘segregatie tegengaan’: Den Haag wil wooncrisis beteugelen –> Den HaagFM

Meer sociale woningen in dure wijken: ‘Tweedeling in de stad verminderen’ –> OmroepWest

Opsplitsen jarenlang taboe in Den Haag maar door de woningnood nu weer erg aantrekkelijk –> Algemeen Dagblad


OmroepWest: Buurthuis de Mussen weer financieel gezond

‘Ik ben blij dat De Mussen de afgelopen tijd maatregelen heeft genomen om kosten en uitgaven in evenwicht te brengen en de organisatie op orde te krijgen’, zegt hij. ‘Een faillissement is daarmee afgewend. Mooi dat het oudste buurthuis van Den Haag zich daardoor nu weer volledig kan richten op de kinderen, de jeugd en de volwassenen van de wijk.’, aldus Martijn in een interview met OmroepWest.

Lees hier het volledige bericht.


Den Haag koopt oude Rode Kruisziekenhuis aan de Sportlaan

Eind november kondigde Martijn aan dat het college van plan was het voormalig Rode Kruisziekenhuis aan de Sportlaan te willen verwerven. De Haagse gemeenteraad stemde op 20 december in met het voorstel.

Namens het college zet Martijn op ontwikkelingen op de korte termijn – het voortzetten van de permanente winteropvang voor dak- en thuisloze mensen en het opvangen van aandachtsgroepen zoals vluchtelingen, mensen met een zorgverleden en spoedzoekers. In samenspraak met de buurt en de stad wordt de komende tijd ook een plan voor de middellange termijn gemaakt. Uitgangspunt is daarbij betaalbare woningbouw (met een stevig sociaal programma), woningen voor senioren en een aandeel voorzieningen, passend bij de behoeften van de nieuwe bewoners en de behoeften uit de wijk.

OmroepWest berichtte erover het voornemen tot aankoop, je leest het hier.


Den Haag gaat positie arbeidsmigranten verbeteren

Gisteravond heeft de Haagse gemeenteraad het plan Arbeidsmigratie in goede banen met algemene stemmen aangenomen. Het plan dat door Martijn in oktober werd gepresenteerd richt zich op het verbeteren van arbeidsomstandigheden, woonomstandigheden en de gezondheid en het welzijn van in Den Haag woonachtige arbeidsmigranten. Martijn sprak erover met het AD, OmroepWest en Den Haag Centraal.

Martijn is blij met de grote steun voor de plannen: “Den Haag laat hiermee zien dat we arbeidsmigranten op dezelfde manier moeten behandelen als andere Hagenaars. Dat begint bij veel fatsoenlijk loon en een fatsoenlijk huis voor migranten die hier komen werken. Ook als het daarmee minder aantrekkelijk wordt voor werkgevers om arbeidsmigranten aan te trekken. Gebruik maken van wegwerp-medewerkers, dat kan echt niet langer.”

Het beleidsplan Arbeidsmigratie in goede banen kent verschillende sporen. De kwaliteit van de huisvesting moet omhoog. Dat doet de gemeente door ruimte te geven aan initiatieven voor huisvesting, maar vooral ook te handhaven op misstanden in de particuliere woningvoorraad. Martijn: “Arbeidsmigranten zijn een waar verdienmodel geworden voor huisjesmelkers. Goud geld verdienen aan mensen die de weg niet weten, door bedragen te vragen voor een matrasje die hoger zijn dan een student betaalt voor een gestoffeerde kamer. Met een stop op het opkopen op woningen voor de (dure) verhuur, een verhuurvergunning en een landelijke stop op tijdelijke huurcontracten en huurprijsregulering, voorkomen we dat arbeidsmigranten zo worden uitgeknepen.”

Via eisen voor huisvesting bij vestiging en uitbreiding van bedrijvigheid wil de stad de verantwoordelijkheid leggen bij werkgevers en uitzenders. Martijn: “we moeten instrumenten krijgen die ervoor zorgen dat huisvesting is geregeld voor er goedkope arbeidskrachten komen: geen bed, geen business. Ook vraagt Den Haag om verplichte registratie. Dan pas kunnen we echt goed handhaven op misstanden.”

Naast betere arbeids- en woonomstandigheden kijkt Den Haag hoe het welzijn van de Haagse arbeidsmigranten kan worden verbeterd. Goede informatie via mobiele informatiepunten, toegang tot onderwijs voor kinderen al op de voorschool, toegankelijke gezondheidszorg. En voor de meest kwetsbare migranten opvang. Bij verlies van werk en woning, proberen we mensen zo snel mogelijk weer perspectief te bieden. Soms is dat terugkeer, soms weer terug naar werk.

Den Haag realiseert zich dat de aanpak alleen kan slagen als er ook een regionale en steviger landelijke aanpak komt. En dat er een fundamentele discussie nodig is over wat voor economie we willen zijn. Martijn: “de tijd moet voorbij zijn dat sectoren voor 90 procent op goedkope arbeidskrachten draaien, zonder men verantwoordelijkheid draagt voor huisvesting, registratie en arbeidsomstandigheden die mij ons land passen. Gemeenten waar mensen werken, moeten hier tot veel steviger afspraken komen met hun werkgevers. Zo niet, dan moeten provincies en rijk ook stevig kunnen ingrijpen. Anders blijven arbeidsmigranten terecht komen in de wijken die er toch al niet best voorstaan. Dat is buitengewoon zuur voor de werkers zelf en voor hun buren. Zoals Roemer drie jaar geleden al aangaf: “geen tweederangs burgers”.